Appels en peren

Ze zaten met vijf tussen twee wagons opgehoopt. Er waren pintjes en ze hadden al enkele uren reizen achter de kiezen. De sfeer was uitgelaten en gemoedelijk. Straks zou iemand hen aan het station oppikken en zouden ze zich met vijf in desbetreffende wagen moeten plooien. Hij met de langste benen ging er van uit dat hij vooraan zou mogen zitten, dus hij zweeg. Zij met de kortste benen ging er van uit dat ze achteraan zou moeten zitten, dus zij zweeg. De andere drie deden toch nog een poging de passagierszetel vooraan op te eisen. “Ik heb avasculaire botnecrose.” “Ik heb de ziekte van Crohn.” “Ik heb geen mama meer,” zei de derde, op een manier die de ludieke irrelevantie van het argument in de verf zette. Er werd gelachen. (Uiteindelijk zat zij met de kortste benen vooraan, alleen maar om hij met de langste benen te pesten.)

Ze was ziek, kreeg haar vader aan de lijn en zei op grappende toon: “Ik wil mijn mama.” Hij antwoordde al even snedig: “Kijk eens op Kapaza, misschien is daar nog wel een tweedehandsmoeder te vinden.” Ze lachten.

Geloof me vrij, ik praat graag over mijn mama. Over vroeger, over haar ziekte, over nu. Noem bovenstaande voorvallen zwarte humor, maar wat dan nog? Ik kon er mee lachen, dus was het grappig. Toch heb ik jammer genoeg het gevoel dat mijn tong wat lam is van alle keren dat ik er de laatste weken op heb moeten bijten. De woorden die ik dan inslikte hadden ironisch genoeg net duidelijk moeten maken dat mijn gesprekspartner beter wat meer op zijn tong had gebeten. Ik wilde dat graag met een rake opmerking duidelijk maken, maar zweeg, “want dat doe je niet”. Ik wilde die mensen vooral ook even door elkaar schudden, maar hield mijn handen strak langs mijn lichaam, “want dat doe je niet”. Ik zou eigenlijk ook graag de voorvallen en frustraties in kwestie met het nodige sarcasme hier voor uw ogen neerpoten, maar dat ga ik de eigenaars van de uitspraken niet aandoen, want zo ben ik dan weer echt niet.

En toch ga ik niet zwijgen, ter heling van mijn eigen tong en ter behoeding van die van anderen:

Doe niet alsof je het begrijpt, want geloof me, dat doe je niet.
Doe geen uitspraken alsof je weet waarover je het hebt, want geloof me, dat doe je niet.
Vergelijk geen appels met peren, want geloof me, enkel peren kunnen met zekerheid en met recht elkaar tegenspreken over peren.
Denk niet dat iets een peer is omdat het woord ‘triest’ of ‘dood’ of ‘moeilijk’ aan die appel zijn steel hangt. Als het geen peer is, is het geen peer, en al helemaal niet als die appel vier voeten, een vacht en een staart heeft.
Verwacht dan ook van mij geen sympathie over jouw appels met een dikke nek.
Stel liever vragen over mijn peren: over de smaak, de kleur, hun herkomst en luister. Ik zal graag vertellen.
En echt waar, als ik zelf een grap maak over die peer, mag je daar om lachen. (Met dank aan mijn medereizigers die dat op dat moment begrepen hadden.)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in mama & andere familiale warmte, Tussen alle lachjes en gedagjes en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Appels en peren

  1. damngoodsoffie zegt:

    Prachtig geschreven, en ik hou van je humor. Ik doe dat ook soms, er grapjes over maken, maar het is nog wat onwennig. Het is ook nog zo vers allemaal. Bij jou was het dat misschien ook, in 2013? Zo ver heb ik nog niet doorgelezen op je blog. Ik heb je pas ontdekt via de blog van Kelly en ben benieuwd om verder te lezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s